Varia loon- en premieheffing

1.1     Wijzigingen in de inkomstenbelasting

Per 1 januari 2019 vinden er wijzigingen plaats in de inkomstenbelasting. Allereerst worden de tarieven van de inkomstenbelasting in box 1 bij inkomens vanaf € 20.142 verlaagd per 1 januari 2019. Tevens verdwijnen er per 2021 twee belastingschijven, waardoor er nog slechts twee overblijven.

Tariefsaanpassing in 2019
Het tarief van de eerste schijf, tot een inkomen van € 20.142, gaat met 0,1%-punt omhoog van 36,55% naar 36,65%. Het tarief van de tweede en derde schijf, voor het deel van het inkomen tussen € 20.142 en € 68.507, daalt fors: van 40,85% naar 38,1%. Over het deel van het inkomen boven € 68.507 betaalt men nu 51,95%. Dit wordt volgend jaar 51,75%.

Belasting % in box 1
Inkomen max.
€ 20.142
Inkomen max.
€ 34.404
Inkomen max.
€ 68.507
Inkomen
> € 68.507
2018 36,55 40,85 40,85 51,95
  Inkomen max.
€ 20.384
Inkomen max.
€ 34.300
Inkomen max.
€ 68.507
Inkomen
> € 68.507
2019 36,65 38,10 38,10 51,75

1.2     Minimumloon iets omhoog in 2019

Het wettelijk minimumloon stijgt per 1 januari 2019 met 1,34%. Daarmee komt het minimumloon per maand uit op € 1.615,80. Het minimumloon geldt voor werknemers van 22 jaar en ouder. Het minimumloon geldt bij een volledige werkweek. Hoeveel uur dit per week is, verschilt per branche. Dit kan 40 uur zijn, maar sommige branches hanteren een kortere werkweek. Vandaar dat er ook geen minimumuurloon bestaat.

Minimumjeugdlonen stijgen ook
De minimumjeugdlonen zijn afgeleid van het minimumloon en stijgen dus ook met 1,34%. Voor een 21-jarige bedraagt dit bijvoorbeeld 85% van het minimumloon. Onderstaande tabel geeft voor elke leeftijd een weergave van het per 1 januari 2019 geldende wettelijk minimumloon.

Leeftijd Staffeling Per maand Per week Per dag
22 jaar en ouder 100% € 1.615,80 € 372,90 € 74,58
21 jaar 85% € 1.373,45 € 316,95 € 63,39
20 jaar 70% € 1.131,05 € 261,05 € 52,21
19 jaar 55% € 888,70 € 205,10 € 41,02
18 jaar 47,50% € 767,50 € 177,15 € 35,43
17 jaar 39,50% € 638,25 € 147,30 € 29,46
16 jaar 34,50% € 557,45 € 128,65 € 25,73
15 jaar 30% € 484,75 € 111,85 € 22,37

Beroepsbegeleidende leerweg
Voor werknemers van 18 t/m 20 jaar die werken op grond van de beroepsbegeleidende leerweg geldt een lager minimumjeugdloon. Zo krijgt een 19-jarige dan niet 55% van het wettelijk minimumloon, maar 52,5%. Onderstaande tabel geeft hiervan per leeftijd een weergave.

Leeftijd Staffeling bbl Per maand Per week Per dag
20 jaar 61,50% € 993,70 € 229,35 € 45,87
19 jaar 52,50% € 848,30 € 195,75 € 39,15
18 jaar 45,50% € 735,20 € 169,65 € 33,93

Daling leeftijdsgrens
Vanaf 1 juli 2019 zal de leeftijdsgrens voor het minimumloon dalen van 22 naar 21 jaar. Werknemers van 21 jaar hebben dan recht op 100% van het minimumloon. Dit betekent dat de staffeling en het wettelijk minimumloon op dat moment zullen worden aangepast. Op 1 juli 2017 is de leeftijd al verlaagd van 23 naar 22 jaar. Werkgevers ontvangen hiervoor via de Belastingdienst een compensatie in de vorm van het jeugd-LIV.

Verplichtingen
Het wettelijk minimumloon geldt als minimumbeloning voor uw werknemers. Dit kan anders zijn indien een cao van toepassing is. Zorg ervoor dat uw werknemers niet worden onderbetaald.

Let op!
Sinds 1 januari 2016 geldt een verplichte girale uitbetaling van ten minste het netto wettelijk minimumloon. Ook moet u het geldende minimumloon altijd verplicht vermelden op de loonstrook.

Let op!
U mag sinds 1 januari 2017 geen bedragen meer inhouden op of verrekenen met het minimumloon. Dit inhoudingsverbod geldt onder meer niet voor wettelijke inhoudingen, huisvestingskosten en de kosten voor een zorgverzekering. Onder voorwaarden en met de nodige begrenzingen mag u dergelijke kosten nog wel inhouden op het minimumloon.

1.3     Premiepercentages werknemersverzekeringen 2019

De nieuwe percentages voor de premies van de werknemersverzekeringen voor 2019 zijn vastgesteld. De sectorpremies voor de Werkloosheidswet (WW) worden in 2019 flink verlaagd. Was de gemiddelde premie in 2018 nog 1,28%, voor 2019 wordt 0,77 % gehanteerd. De Awf-premie en Aof-premie stijgen juist. De premies voor AOW, ANW, Ufo en Whk blijven gelijk, zo ook de opslag kosten kinderopvang. De gemiddelde premie voor de sectorfondsen daalt flink. Een overzicht van deze premies is opgenomen in de tabel hieronder.

Premie 2018 2019
WW Werkloosheidswet 1,28 0,77%
AOW Ouderdomsfonds 17,90% 17,90%
ANW Nabestaandenfonds 0,10% 0,10%
AWF Algemeen Werkloosheidsfonds 2,85% 3,60%
Ufo Uitvoeringsfonds voor Overheid 0,78% 0,78%
Sfn/Ufo Uniforme opslag kinderopvangtoeslag 0,50% 0,50%
Aof Arbeidsongeschiktheidsfonds 6,27% 6,46%
Whk Werkhervattingskas 1,22% 1,24

Maximum premieloon in 2019

Verder stijgt het maximum premieloon. Het maximum premieloon is het maximumloon waarover u premies werknemersverzekeringen moet betalen. Dit is voor 2019 vastgesteld op € 55.927. In 2018 bedroeg dit nog € 54.614.

1.4     Premiepercentages inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2019

De werkgeversheffing en werknemersbijdrage Zvw ondergaan per 1 januari 2019 een lichte stijging ten opzichte van 2018. In de tabel hieronder staat een weergave van de verschillen ten opzichte van 2018.

Premie 2018 2019
Zvw Werkgeversheffing 6,90% 6,95%
Zvw Werknemersbijdrage 5,65% 5,70%

Ook voor de premies Zvw geldt dat het maximum premieloon in 2019 wordt verhoogd naar € 55.927.

1.5     Ontwikkelingen sectorpremie WW

De WW-premie die een werkgever moet betalen, is op dit moment nog deels afhankelijk van de sector waarin hij is ingedeeld. In 2018 zijn hierin al enkele wijzigingen doorgevoerd. Met ingang van 2020 gaat mogelijk de WW-premie op basis van de sectorindeling verdwijnen en komt hiervoor een vaste hoge en lage premie in de plaats.

Wijzigingen 2018
In 2018 is besloten dat de sectorindeling niet meer met terugwerkende kracht op verzoek van de werkgever gewijzigd kan worden. Wanneer de wijziging plaatsvindt op initiatief van de Belastingdienst, bijvoorbeeld omdat eigenlijk een hogere WW-premie verschuldigd is, kan de sector nog wel met terugwerkende kracht gewijzigd worden.

Ook is het niet meer mogelijk voor werkgevers om een gesplitste sectoraansluiting te krijgen, aangezien ook dit een middel was om zo weinig mogelijk WW-premie te betalen.

Herziening sectorindeling 2020
De maatregelen lopen vooruit op de aangekondigde herziening van de sectorindeling. In het Wetsvoorstel arbeidsmarkt in balans wordt vanaf 2020 het onderscheid in WW-premie per sector afgeschaft. Voor de overige premies blijft de sectorindeling voorlopig wel in stand.

Let op!
Deze wet is nog niet goedgekeurd door de Tweede Kamer.

De sectorale WW-premie wordt vervangen door een hoge en lage Awf-premie. De lagere premie is bedoeld voor vaste arbeidscontracten en bij een arbeidscontract voor bepaalde tijd wordt juist een hogere WW-premie geheven. Het verschil tussen de hoge en lage premie zal naar verwachting een vast verschil van 5 procentpunt zijn. Dit verschil moet het aantrekkelijker maken om werknemers een vast contract aan te bieden.

Uitzonderingen
In het wetsvoorstel zijn uitzonderingen opgenomen die ervoor zorgen dat toch de hoge premie moet worden toegepast, ondanks dat er sprake was van een vast contract.

  • Als de dienstbetrekking van een vaste werknemer na vijf maanden stopt, waarbij het niet uitmaakt wie het initiatief heeft genomen om te komen tot de beëindiging.
    (let wel: hier hoeft geen sprake te zijn van een WW-situatie.)
  • Als de verloonde uren van een vaste werknemer in een kalenderjaar meer dan 30% hoger liggen dan in zijn contract is overeengekomen.
  • Als de vaste werknemer binnen een jaar na ingang van zijn dienstbetrekking een WW-uitkering krijgt door verlies van inkomen.
  • Als de vaste werknemer een WW-uitkering krijgt, terwijl de lage WW-premie van de werkgever maximaal een jaar eerder al een keer was herzien op grond van voorgaande situatie.

1.6   30%-regeling

De maximale looptijd van de 30%-regeling wordt met ingang van 1 januari 2019 met drie jaar verkort: van acht naar vijf jaar. Nieuwe aanvragen worden vanaf dan voor maximaal vijf jaar toegekend. Ook voor bestaande gevallen zal de verkorting van drie jaar gelden.

Voorwaarden 30%-regeling
De regeling houdt kortweg in dat een werkgever 30% van het salaris van de betreffende werknemer belastingvrij mag uitbetalen als tegemoetkoming in de extra kosten van de buitenlandse werknemer, nadat de Belastingdienst hiervoor een goedkeuring (beschikking) heeft afgegeven. In plaats daarvan kan de werkgever ook de daadwerkelijke kosten vergoeden: de grens van 30% geldt dan niet.

Er gelden de nodige voorwaarden om de regeling toe te mogen passen. Er moet in ieder geval sprake zijn van een specifieke deskundigheid. Ook moet de werknemer van de twee jaar voorafgaand aan zijn eerste werkdag in Nederland meer dan 16 maanden buiten Nederland hebben gewoond. Bovendien moet de woonplaats minstens 150 km van Nederland hebben gelegen.

Arbeidsovereenkomst
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet volgens de Hoge Raad worden bepaald op het tijdstip van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst. Dit (zie uitspraak Hoge Raad) betekent dat wijzigingen in de voorwaarden (zoals een verhuizing) na aangaan van de overeenkomst, maar voor de feitelijke start van de werkzaamheden, niet relevant zijn.

Overgangsrecht
Hoewel in eerste instantie geen sprake was van overgangsrecht voor bestaande gevallen, is na het in stand houden van de dividendbelasting alsnog ruimte gecreëerd voor overgangsrecht voor bestaande gevallen. Dit overgangsrecht ziet er als volgt uit:

  • Voor werknemers die een beschikking hebben met een einddatum in 2019 en 2020, eindigt de 30%-regeling op de oorspronkelijke datum.
  • Voor werknemers die een beschikking hebben met een einddatum in 2021, 2022 of 2023, zal de einddatum worden gesteld op 31 december 2020.
  • Voor werknemers die een beschikking hebben met een looptijd in of na 2024, wordt de einddatum drie jaar vervroegd.

In onderstaande tabel is de uitwerking van het overgangsrecht overzichtelijk uiteengezet:

Einddatum op beschikking Wijziging in looptijd
In 2019 of 2020 Geen wijziging
In 2021, 2022, 2023 Looptijd wijzigt naar 31 december 2020
In of na 2024 Looptijd wordt verkort met drie jaar

1.7   Subsidieregeling praktijkleren verlengd tot 2023

De Subsidieregeling praktijkleren wordt definitief verlengd tot 2023. Tijdens Prinsjesdag 2018 werd nog aangekondigd dat er bezuinigd zou gaan worden op de regeling. Bovendien was er grote onzekerheid of de regeling nog zou worden voortgezet vanaf 2019. Aan deze onzekerheid is nu een eind gemaakt. Na onderhandelingen over de begroting is afgesproken dat de subsidieregeling in ieder geval behouden blijft tot 2023. De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt.

Het besluit van de minister van OCW om de Subsidieregeling praktijkleren definitief tot 2023 te verlengen, biedt meer zekerheid aan de erkende leerbedrijven die voor meerdere jaren mbo-studenten in het eigen bedrijf opleiden. Ook voor scholen en studenten zijn de gevolgen positief. Juist nu het bedrijfsleven een groeiende behoefte heeft aan goed opgeleide medewerkers, blijft de beproefde bbl-route voor het opleiden van vakmensen ondersteund.

Uitbreiding regeling
Niet alleen zijn de voorgenomen bezuinigingen van de baan, het kabinet breidt de doelgroep zelfs uit: ook voor leerbanen voor hbo-studenten van een deeltijdopleiding of duale studie gericht op de zorg- en welzijnssector wordt de subsidie praktijkleren beschikbaar. Hier is voor gekozen vanwege het personeelstekort waarin de zorg- en welzijnssector momenteel verkeert.

1.8   Tarief WBSO omhoog in 2019

Het percentage voor de tweede schijf van de WBSO is per 1 januari 2019 verhoogd van 14 naar 16%. Door het niet afschaffen van de dividendbelasting is voor de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk structureel een extra budget van € 76 miljoen beschikbaar. De verruiming van deze fiscale regeling voor innovatieve projecten wordt een jaar eerder ingevoerd. Het kabinet wilde vanaf 2020 een verhoging van de tarieven doorvoeren. Deze verhoging vindt nu dus al in 2019 plaats.

1.9   Vrijwilligersregeling 2019

Vrijwilligers zijn voor de maatschappij van groot belang. Daarom gaat de vrijstelling voor vrijwilligers in 2019 met € 200 per jaar omhoog. Dit betekent dat een vrijwilliger vanaf 1 januari 2019 maximaal € 170 belastingvrij per maand kan ontvangen voor de verrichte diensten, met een maximum van € 1.700 per jaar. Het is voor het eerst sinds 2006 dat deze bedragen worden verhoogd.

Voorwaarden
De voorwaarde dat voor toepassing van de vrijwilligersregeling sprake moet zijn van een organisatie zonder winstoogmerk blijft ongewijzigd. Gewone bedrijven blijven dus uitgesloten van de regeling. Dit betekent dat het moet gaan om:

  • een algemeen nut beogende instelling (ANBI);
  • een sportorganisatie of sportvereniging;
  • een bedrijf dat niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting (VPB).

De vrijwilliger mag niet tevens een dienstbetrekking hebben bij de organisatie waar hij vrijwilliger is. Daarnaast mag de vrijwilligersvergoeding die hij ontvangt niet in verhouding staan tot de aard van het werk en de ermee gemoeide tijd.

Let op!
Een dienstbetrekking kan worden voorkomen door gebruik te maken van een Modelovereenkomst vrijwilligerswerk. De werkzaamheden moeten dan wel conform de overeenkomst worden uitgevoerd.

Let op!
Wanneer de maxima worden overschreden, is de vrijwilligersregeling niet meer van toepassing. Dat betekent dat er sprake kan zijn van een dienstbetrekking, afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Is dit het geval, dan moeten dus wel loonheffingen worden ingehouden.

Tip!
Verricht u werkzaamheden als vrijwilliger voor een ANBI (algemeen nut beogende instelling), dan kunt u een vrijwilligersvergoeding krijgen. Ziet u hiervan af? Dan kunt u onder voorwaarden het bedrag als gift opvoeren in uw aangifte inkomstenbelasting.

1.10  Fiets van de zaak

De huidige fiscale regels om de waarde te bepalen van het privévoordeel van een ter beschikking gestelde fiets van de zaak worden in de praktijk als belemmering ervaren om een fiets ter beschikking te stellen. Vanaf 1 januari 2020 is het de bedoeling om de waarde van het privévoordeel van de fiets van de zaak vast te stellen met behulp van een forfait. Er komt een vast bijtellingspercentage van 7% per jaar van de consumentenadviesprijs – oftewel de oorspronkelijke nieuwwaarde – van de fiets. Dat is de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte prijs van de fiets bij verkoop aan de afnemer. De consumentenadviesprijs geeft een eenduidig uitgangspunt om de waarde van het privévoordeel te bepalen.

Er is niet voorzien in een gedifferentieerd tarief tussen bijvoorbeeld (elektrische) stadsfietsen, bakfietsen en zogenoemde speed pedelecs (rijwielen met elektrische trapondersteuning en met een bromfietskenteken).

Werknemers die de fiets van de zaak privé mogen gebruiken en/of voor woon-werkverkeer, krijgen te maken met een bijtelling (woon-werkverkeer wordt gezien als privégebruik). Wel is het de werkgever toegestaan aan de werknemer een eigen bijdrage te vragen voor het privégebruik van de fiets. Deze eigen bijdrage mag dan in mindering worden gebracht op de bijtelling.

1.11  Wkr-ruimte

Vergoedingen en verstrekkingen aan uw personeel, bijvoorbeeld een bonus, kunnen onbelast blijven als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling. Daarbij is het van belang de zogenaamde vrije ruimte van de werkkostenregeling zo veel mogelijk te benutten. Dit gebeurt nu nog lang niet altijd.

Werkkostenregeling
Volgens de werkkostenregeling mag u 1,2% van de totale loonsom besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen. Dit is de vrije ruimte. Denk bijvoorbeeld aan een personeelsfeest of kerstpakket. Overschrijdt u de grens van 1,2%, dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing. Een andere mogelijkheid is om de vergoeding of verstrekking tot het loon te rekenen. In dat geval betaalt de werknemer hierover belasting.

Benutten vrije ruimte
Het is van belang dat binnen uw beloningssystemen de vrije ruimte maximaal benut wordt. Over beloningen binnen de vrije ruimte wordt namelijk geen belasting betaald. Niet door de werknemer en ook niet door u als werkgever.

Gebruikelijkheidscriterium
Het staat u in beginsel vrij om onbelaste bonussen te verstrekken, zolang u maar binnen de vrije ruimte blijft. Wel geldt de voorwaarde dat de verstrekking gebruikelijk moet zijn. Over onbelaste vergoedingen en verstrekkingen tot een bedrag van € 2.400 per werknemer per jaar doet de fiscus niet moeilijk en gaat men ervan uit dat de vergoedingen en verstrekkingen gebruikelijk zijn.